Ultieme (zelf?) afwijzing

34132864_1763200900425849_2735913524969603072_n.jpg

Het is middenin de nacht. Vijf voor half twee. Als ik beneden kom met mijn laptop zit er een kat op de tuintafel door het raam naar binnen te staren. Ik maak drie foto’s, met flits. De kat blijft zitten en blijft me recht aanstaren. 

Ik kan niet slapen. Ik heb zo de behoefte om te schrijven. Om gewoon te schrijven wat er in me opkomt, wat ik zie, wat ik meemaak. Zonder dat ik me aan een opdracht hoef te houden, zonder dat ik iets van mensen wil en zonder dat ik er betekenis aan toeken. Ik heb die enorm diepe wens om te creëren. En voel me tegelijkertijd zo verschrikkelijk bang om mezelf te laten zien. Angst voor afwijzing.

De afwijzing van je moeder is toch wel de ultieme afwijzing. En toch wijst ze me niet echt af. Ze is namelijk ziek.  

Razend en verontwaardigd was ze toen we kleren voor haar gingen kopen. Woedend ging ze de winkel uit waar ik een broek zocht voor haar. Want ze had niets nodig en waar bemoeide ik me mee?! Ik dacht dat ze nog wel terug zou komen. Maar ze is over de hele markt heen naar het huis van mijn vader gelopen (hij heeft tegenover hun huis een appartement dat hij als werkruimte gebruikt) en belde daar aan, net op het moment dat ik verontrust met mijn vader belde. Ten minste, verontrust en ook weer niet. Want ik dacht ook wel dat ze naar huis zou lopen, dat ze dat nog kan. Omdat ze zo boos was, was ze ook erg gedecideerd. En naar Hans is de enige plek waar ze heen wil. Altijd. Ze doet wat ze wil. En ze is niet gek. En ook weer wel. Ze kan er niets aan doen dat ze soms zo raar en naar doet. En ook weer wel. En toch vooral niet.

Op het moment dat het gebeurde wist ik dat het dat laatste was. Ze is ziek. Ze kan er niets aan doen. Toch was ik er later verdrietig van, nu dus. Net als vorige keren dat ik bij mijn ouders was en ze ineens met rust gelaten wilde worden. Met terugwerkende kracht doet het dan pijn. En ik ben dan verward omdat ik niet in een drama verstrikt wil raken, maar ook mijn pijn niet wil ontkennen. Want haar gekte is dezelfde gekte als de gekte die ze altijd had. Een gekte waar ik ook wel degelijk onder heb geleden vroeger. Ze kon ineens heel fel en afwerend worden. Omdat ze met rust wilde worden gelaten en kriegel werd, zoals ze dat zei. De ultieme afwijzing. En die voel ik dan weer. En ook weer niet de ultieme afwijzing. Want het richt zich niet tegen mij, het is haar eigen strijd. De vraag is: hoe ga ik ermee om?

Het patroon dat ik overal in mijn leven tegenkom, is niet van mijn moeder. Het komt ook niet door haar. Het is mijn eigen gekte. De ongenode gast die mezelf bekritiseert en overal commentaar op levert. Een extra blik die altijd over mijn schouder meekijkt. Die stem lijkt almachtig te zijn. En ik weet dat ertegen vechten het alleen maar erger maakt. Er zit maar één ding op. En dat is de stem laten ratelen wat ze wil. Net zoals ik mijn moeder laat ratelen als ze de weg kwijt is. Laat ratelen, terwijl ik met mijn aandacht bij mijn hart blijft. Mijn hart is stil en zacht. Het verwarmt me van binnen, waardoor de pijn minder stekend wordt. Het is er nog wel als iets dat bij me hoort en dat ik zelfs ben. Maar het verschrikkelijke lijden stopt. 

Ik zat op de bank nog wat te werken, voordat ik met de trein terug zou gaan. Nog twee keer kwam ze verstoord naar beneden. Als ze me zag vluchtte ze direct weer naar boven, naar haar werkkamer.

De derde keer dat ze beneden kwam, stond ik net op het punt te vertrekken. Ik had mijn rolkoffertje al klaar staan en wilde juist naar boven lopen om afscheid van haar te nemen.  'Schrik niet', zei ik. 'Ik wilde net gaan.' 'Hoezo, schrik niet?', zei ze liefdevol. 'Natuurlijk schrik ik niet.' Ze ging op haar stoel zitten en vroeg of ik binnenkort nog iets spannends of belangrijks had. Er was haar dus iets daarvan bijgebleven. 'Ja, zaterdag verschijnt de nieuwe editie van Vrije Geboorte', zei ik. 'Oh, ben je daar nog steeds mee bezig? Vind je dat nog wel inspirerend, na zoveel tijd?', vroeg ze. Een vraag die ze me altijd stelt als het over Vrije Geboorte gaat. Ik denk dat ik hem wel veertig keer heb beantwoord. Misschien vaker. Grappig genoeg is mijn antwoord niet altijd hetzelfde en heeft het antwoord door de tijd heen ook een ontwikkeling doorgemaakt. Nu zei ik: 'Ja, niet uitsluitend, maar ik vind het zeker inspirerend. Hoe je met geboorte omgaat, gaat over hoe je met het leven omgaat en dat vind ik interessant. Kun je je overgeven of niet? Heb je vertrouwen of wil je de controle behouden? Stel je je open voor het onbekende? Vul je de dingen in of blijf je er benieuwd blij? Daarover gaat geboorte. En het leven ook. Ik heb een aantal nieuwe hoofdstukken geschreven en ook veel dingen in de tekst anders verwoord, omdat ik er nu toch anders naar kijk. Ik ben wat minder perfectionistisch geworden.' Hierop antwoordde ze zoiets als dat ik dus normaal ben gaan doen, of gewoner ben geworden. En ze zei: 'Goh, wat goed zeg, dus je raakte geïnspireerd door wat je zelf schreef. Ja, dat is het werk hè. Precies zeggen hoe je het ziet. Bij mij ging dat op een gegeven moment vanzelf. Ik wist dat alleen ik het zo zag, dat het mijn unieke kijk was, en dat ik, als ik dat heel precies verwoordde, er andere mensen mee kon helpen. Zo heb ik het altijd gedaan.' Dan vraagt ze weer wat voor belangrijks er ook alweer was. Ik zeg dat mijn nieuwe boek uitkomt. Ze pakt haar agenda en zet er op 9 juni in: 'Anna's nieuwe boek komt uit.' Ik zeg dat ze er bij moet zetten dat het Vrije Geboorte is, omdat ze dat anders misschien niet weet als ze het later naleest. 'Boek = Vrije Geboorte', zet ze erbij. Waar ga je nu naartoe? vraagt ze. Ga je op de fiets? 'Nee, ik ga met de trein naar Utrecht', zeg ik. 'Oh ja, daar ben ik weleens geweest. Met dat pleintje en al die kinderen', zegt ze. 'Overal kinderen.' 'Precies', antwoord ik. We omhelzen elkaar. Ze is heel lief. 'Dag An', zegt ze. 'Goede reis.'